
HENDRICK VAN ABEELE
​Geboren te ’s-Hertogenbosch als oudste zoon van een oud Zeeuws adellijk geslacht van lage stand.
De familie Van Abeele had zwaar geleden een eeuw eerder, ten tijde der Hoekse en Kabeljauwse twisten. De meeste verwanten zagen zich genoodzaakt hun adellijke titel vaarwel te zeggen en daalden af tot de hogere middenstand. Zo ook Hendricks vader, die diende als Esseuyeur, de ambtenaar belast met de zuiverheid, eenheid en het gewicht der munten.
Hendrick groeide op in zekere welstand, doch als “Zeeuw” werd de familie in 's-Hertogenbosch dikwijls bespot met anti-Hollandse schimpscheuten en geregeld lastiggevallen door Spaansgezinde grazioenen. Zijn toetreding tot het plaatselijk schuttersgilde bracht hem weinig bescherming of aanzien.
“Kleine Heintje”, zoals zijn stadsgenoten hem noemden, hielp zijn vader zoveel hij kon. Doch de Bossche munt verloor gaandeweg haar privileges, en de belegeringen van 1601, 1603 en 1622 verergerden de economische malaise. Tijdens het laatste beleg werd de familie, als “Hollandsch van bloede”, uit de stad verdreven — een vernedering die Hendrick verbitterde tegen het Spaans gezag.
Om in het onderhoud der zijnen te voorzien, sloot Hendrick zich aan bij het Staatse leger, waar de soldij tenminste zeker werd uitgekeerd. Dankzij zijn adellijke afkomst en zijn vaardigheid in rekenen en schrijven, werd hij spoedig aangesteld tot vaandrig. Zijn kolonel zag in hem officierstalenten.
Zijn eerste standplaats was Breda, toch toen deze stad viel, stond Spinola het garnizoen toe met vaandels en trommels te vertrekken. Slechts vier man van Hendricks compagnie overleefden het beleg. Tijdens hun tocht naar republikeins gebied ontmoetten zij het leger van de Prins, waarbij zij zich aansloten om de strijd voort te zetten.







Foto: Lou Cognard, www.crealou.com